Bel: 085-8889310!

Hechting wat is het echt

Datum: 06/03/2017

Hechting is een belangrijk onderwerp. Iedereen heeft er mee te maken (gehad). Daarnaast geeft het een beeld van je ontwikkelingsgeschiedenis en de gevolgen daarvan. Hechting is een zeer breed doch simpel onderwerp. Het kan ingewikkeld en complex lijken als men zich niet op de basisprincipes en onderzoeken berust en gaat luisteren naar wat anderen erover denken te weten. Ik krijg daarom vaak vragen van verwarde ouders die: of zijn wijsgemaakt dat je kind alleen veilig gehecht is als je hem 24-7 op je rug draagt en hij nooit langer dan 1 seconde in zijn leven heeft gehuild, of dat hechting een fabel is, omdat een of andere troela dat in haar column onderbouwde met een van mijn favoriete, totaal niet arrogante (NOT) argument: ‘’Want mijn kinderen zijn toch ook goed uitgekomen.’’ Ja hoor mevrouw, jouw kinderen en jouw ouderschap wegen natuurlijk veel zwaarder dan tientallen jaren wetenschappelijk, empirisch onderzoek. Maar goed, ze schreef het zelf ook al: ‘’En als ik me vergist en mijn kinderen traumatiseer, waar heb je anders psychologen voor?’’. *Sarcastische lach*. Nu zal ik dus mijn best doen om de basis van hechting uit te leggen voor degene die in de beschikbare informatie verstrikt zijn geraakt. Zodat je geen toevlucht meer hoeft te zoeken bij dit soort “ervaringsdeskundigen”. Lekker vol gortdroge theorie zodat er geen discussie op volgt.

Bowlby introduceerde de hechtingstheorie in 1920-1930 (Van Ijzendoorn et al, 1988). Deze stelt de relatie met de ouders in de vroege jaren van het kind als basis voor de psychosociale ontwikkeling. Hoe veiliger de relatie, hoe meer vertrouwen het kind heeft in zichzelf en omgeving, des te beter het de ontwikkelingstaken in de latere jaren aankan (Bowlby, 1973). De basis van theorie is dat een veilige hechting zich berust op een hechtingsfiguur (moeder, vader, voogd, etc.) die consistent ingaat op de behoeften van het kind. Volgens Bowlby wordt de hechting beoordeeld door de volgende fundamentele vragen: ‘’Is het hechtingsfiguur nabij, bereikbaar en aandachtig? (Fraley, 2010)’’ Simpeler gezegd: hoe bereikbaar (fysiek en emotioneel) is het hechtingsfiguur? Na Bowlby zijn er nog velen anderen die jarenlang hebben doorgewerkt aan deze theorie.

Een belangrijke voort borduursel op deze theorie is die van Mary Ainsworth. Zij heeft hechting onderverdeeld in vier soorten (Delfos, 2009). In haar onderzoeksopzet genaamd: ‘Strange situation’, wordt de moeder opgedragen de wachtkamer even te verlaten en het kind achter te laten bij een onbekende vrouw. De reactie van het kind maakt het de hechtingspatronen (en de gevolgen van dien) duidelijk. Het is bijvoorbeeld opvallend dat kinderen met een onveilige hechting (de moeder is dus niet consistent ingegaan op de behoefte van het kind) lang blijven huilen nadat de moeder is teruggekeerd. Ondanks dat het probleem (alleen achtergelaten worden) is opgelost. Dat het kind blijft huilen kan er dan bijvoorbeeld op wijzen dat de ouder niet wordt geassocieerd met troost. Troost is namelijk ook een antwoord op een behoefte. Sommige van deze kinderen liet het koud of de moeder de kamer uitliep of terugkwam, het maakt geen verschil voor hen. Degenen die erin geïnteresseerd zijn raad ik aan het onderzoek te bekijken, het proces wordt toegelicht door een deskundige en geeft al een veel duidelijker beeld van wat hechting is.

Hechting geeft het kind een beeld van de sociale wereld die hij later zal betreden. Of misschien beter gezegd: het zet hen een bril op, die ongeveer bepaald hoe zij de sociale wereld later zullen waarnemen en ervaren. Martine Delfos heeft hier een overzichtelijk schema van gemaakt. Delfos beschrijft de (denk)schema’s die het kind vormt bij de hechtingsstijlen van Ainsworth. Dit kan gezien worden als de interpretatie die het kind erbij heeft en hoe hij dit projecteert in zijn latere sociale omgang.

Opvoedingsstijl
(Ainsworth)
Gehechtheidstype
(Ainsworth)
Schema dat het kind vormt
(Delfos)
Consistent responsief:
Steeds op de behoeften van het kind inspelen.
Veilig In principe kun je op mensen rekenen als je in nood bent.
Consistent onresponsief:
Niet op de behoefte van het kind inspelen, verwaarlozing.
Onveilig:
Angstig-vermijdend
Je kunt niet op mensen rekenen als je in nood bent. Je moet zoveel mogelijk mensen inschakelen, maar niet te diep contact met een persoon maken, want dat is niet effectief, straks laat die je in de steek en heb je niets.
Responsief naar eigen wens:
Naar eigen behoeften reageren op het kind.
Onveilig:
Angstig-afwerend
Je kunt niet op anderen rekenen als je iets nodig hebt. Integendeel, dan moeten ze ook niet iets van jou.
Wisselvallig responsief:
Periodes wel en periodes niet reageren op de behoeften van het kind. (Vaak bij ouders met psychiatrische problematiek.
Onveilig:
Gedesorganiseerd
Je kunt geen peil op mensen trekken als je in nood bent. Soms helpen ze je, dan laten ze je in de steek, dan moeten ze weer iets van je.
Afbeelding: Delfos,Ontwikkelingspathologie (2009) / Ontwikkeling in een vogelvlucht (2005).

Om het nog duidelijker te maken zal ik een aantal voorbeelden noemen bij elke opvoedstijl.

  1. Consistent responsief: dit zijn ouders/voogden die de behoeften van hun kinderen herkennen, erkennen en beantwoorden. Wanneer een kind troost of verzekering nodig wordt dit herkent en aandacht gegeven.
  2. Consistent onresponsief: ouders/voogden die zich niet geroepen voelen door het gehuil van hun kind en/of deze opzettelijk negeren. Andere voorbeelden zijn het wegsussen van de behoeften, zoals: ‘’Stel je niet aan, je viel niet hard.’’, of ‘’Nu even niet, ik ben in gesprek. Nogmaals, let hierbij op het woord consistent. Kinderen die deze opvoedstijl gewend zijn houden vaak ook al op met vragen en behoeften uiten. Deze kunnen als probleemgedrag tot uiting komen voor de buitenwereld.
  3. Responsief naar eigen wens: bijvoorbeeld een moeder die haar baby wakker maakt omdat ze zin heeft om te spelen of hem graag aan haar vriendinnen, die op kraamvisite zijn, wil laten zien. Het kind wordt dus in zijn behoefte (slaap/rust) verstoord voor moeder’s eigen belang. In deze opvoedstijl draait het voor de ouder/voogd vaak ook alleen om zijn eigen begeerten en behoeften. Ook moet het kind rekening houden met de ouder, in plaats van omgekeerd. Dit laatste is ook te zien bij de onresponsieve (2) hechtingsstijl.
  4. Wisselvallig responsief: combinatie van alle bovenstaande. Het kind heeft geen idee wat het kan verwachten van de ouder. Of: ouder met psychiatrische aandoening waardoor het aanwezig en bereikbaar is totdat er weer een psychotische episode aanbreekt en de ouder weer volledig onbereikbaar is.

Nu volgt de onvermijdelijke vragenreeks: welke gehechtheidstype ben ik? Hoe kom ik daarachter en welke invloeden heeft dit op mijn relaties? Daarbovenop: hoe ga er het best mee om? Kan ik een onveilige hechting repareren? Geen zorgen! Dat hoop ik uitgebreid te behandelen in deel 2 (waarschijnlijk ook deel 3).

Tot slot: het lijkt alsof de meningen over hechting grotendeels in twee extremen zijn vervallen. In veel culturen is men er op gericht het kind zo snel mogelijk onafhankelijk te maken en de last voor ouders zo klein mogelijk te maken. Kinderen zijn kneedbaar en leren snel, ze hebben snel genoeg door of zij de ruimte hebben om te kiezen wat ze willen of dat er al voor hen wordt bepaald dat ze bijvoorbeeld het grootste deel van de dag in de box moeten.

Als een baby op bed wordt gelegd tot het uitgehuild is, stopt het op een gegeven moment ook met huilen, niet omdat hij dan zelfstandig in slaap kan vallen, maar omdat hij geleerd heeft dat niemand hem zal beantwoorden. Als dat kind dan ook heel makkelijk gaat slapen als 2 jarige ziet men dan vaak meteen als succes-bewijs voor de opvoedstijl die generaties rondgaat in de familie. Het kan zeer goed mogelijk zijn dat het kind door het consistent ontbreken van beantwoording opgroeit als iemand die zeer moeilijk hulp vraagt en nauwelijks op anderen vertrouwd, hij is namelijk als baby aangeleerd dat niemand zijn roep om hulp beantwoord. Daarnaast: laat je vriendin of tante je niet wijsmaken dat je je baby van 4 weken verwend. Hij manipuleert je ook niet, nee je kind is niet zo een acteertalent als je denkt. Een baby huilt niet voor de lol, ook niet om je te pesten of je te laten zien wie de baas is.

Anderzijds is er een golf van ‘’Attachment Parenting’’ waarbij het volledige tegenovergestelde extreem wordt genomen. Dit is waar ik de wanhopige vragen krijg van moeders met een x aantal kinderen die zich constant schuldig en gebrekkig voelen omdat ze niet alle x de kinderen 20 uur per dag huid-op-huid contact kunnen geven. Besef wel: wanneer je als leek gaat schrijven over een onderwerp dat zo serieus is, je je intentie volledig voorbij schiet. Wanneer je hechting presenteert als iets dat onhaalbaar is, moet een moeder zich constant druk maken over haar ‘’tekort komen’’ en is zij daardoor al veel minder aandachtig en bereikbaar. Het ingaan op de behoefte van een kind is in principe de natuurlijke aanleg van de hechtingsfiguur. Daarnaast: niet elk kind heeft dezelfde behoefte.

Mijn advies is dus: zet je kind centraal, maar doe dat in een mate die natuurlijk en goed aanvoelt. Neem niet klakkeloos dingen aan van mensen die zich voordoen als experts en lees je vooral zelf in. Denk ook zelfstandig na over de invloed van jouw opvoeding op je kinderen en val niet voor de types: ‘’Maar mijn ouders deden het zo en kijk hoe geweldig ik ben uitgekomen’’. Ook voor jou geldt: je leeft nog, dat betekend niet perse dat je ouders de ideale opvoedstijl hebben. Men is altijd geneigd de opvoedstijl van zijn ouders over te nemen, ook al is die soms niet zo ideaal als gedacht wordt.

Geschreven door: Nora el Azzouzi

Geraadpleegde bronnen:

  • Bowlby, J. (1973). Attachment and loss, volume II: Separation: Anxiety and anger. New York: Basic Books
  • Delfos, M.F. (2005). . Amsterdam: Pearson Education.
  • Delfos, M.F. (2009). Ontwikkelingspathologie. Amsterdam: Pearson Education.
  • Fraley, R. C. (2010). A Brief Overview of Adult Attachment Theory and Research. University of Illinois.
  • Goede, M. de. (2014) Prenatale hechting: een moderator tussen prenatale stress en het mentaal-, regulatie- en oriëntatievermogen bij zuigelingen van 6 maanden? (masterthesis). Universiteit Leiden.
  • IJzendoorn, M.H. van. , L.W.C Tavecchio, F.A. Goossens, M.M. Vergeer (1988). Opvoeden in geborgenheid – Een kritische analyse van Bowlby’s attachmenttheorie, Van Loghum Slaterus, Deventer.
  • Nada Raja, S., McGee, R. & Stanton, W. R. (1992). Perceived attachments to parents and peers and psychological well-being in adolescence. Journal of Youth and Adolescence, 21, 471-485
  • Wijnroks, L., Janssen, C., Epskamp, S., Kloosterman, D., Mispelblom, I., Post, T., Stor, P., Storsbergen, H. (2006). Onveilig gehecht of een hechtingsstoornis: Het onderkennen van hechtingsproblematiek bij mensen met een verstandelijke beperking. Landelijk KennisNetwerk Gehandicaptenzorg (LKNG): Utrecht